Glucose: stof die veel energie bevat, met behulp van deze energie worden allerlei andere stoffen gemaakt.
Stofwisseling: het omzet van stoffen in andere stoffen.
Mitochondriƫn: celorganen dat Glucose afbreekt.
Verbranding: de afbraak van Glucose in cellen.
Brandstof: stof die verbrand, die je nodig hebt voor verbranding.
Bronchiƫn: deel van het ademhalingsstelsel waarin de luchtpijp zich vertakt.
Middenrif: een stevig, gespierd vlies dat de romp verdeelt in de borstholte en de buikholte.
Neusslijmvlies: slijmvlies in je neus dat uit slijmproducerende cellen bestaat.
Trilharen: organellen die slijm (met stofdeeltjes) van de neus naar de keelholte verplaatsen.
Strotklepje: klepje dat de luchtpijp afsluit als je voedsel inslikt.
Huig: klepje dat de neusholte afsluit als je voedsel inslikt.
Luchtpijp: een holle buis die aansluit op de onderkant van het strottenhoofd.
Longblaasjes: deel van de longen waar zuurstof wordt opgenomen in het bloed.
Longhaarvatten: een netwerk van kleine bloedvaatjes rondom de longblaasjes.
Gasverwisseling: de opname en afgifte van Zuurstof (O2) en Koolstofdioxide (Co2) via de longblaasjes.
Ademhalingsspieren: de spieren die nodig zijn om adem te halen.
Borstademhaling: ademhaling waarbij de ribben en het borstbeen bewegen.
Buikademhaling: ademhaling waarbij het middenrif en de buikwand bewegen.
Smog: luchtvervuiling die vooral bestaat uit fijnstof.
Ventilatie: het vervangen van 'oude' lucht met verse lucht.
Hooikorts: allergie voor stuifmeelkorrels.